Een van mijn favoriete eilandbewoners is toch wel de bruine pelikaan (Pelecanus occidentalis). Het is de karakteristieke kustvogel van de tropen en subtropen van Amerika: statig, komisch, elegant en tegelijkertijd een beetje lomp. Met zijn enorme snavel en wonderlijke keelzak lijkt hij rechtstreeks te zijn overgevlogen uit het Eoceen, de tijd waarin zijn voorouders ontstonden, lang voordat de eerste mensen op aarde rondwandelden.
Mannetjes en vrouwtjes zien er vrijwel hetzelfde uit: ongeveer een meter groot, met een geel-witte kop, een kastanjebruine nek en een grijsbruin lichaam. In de lucht zweeft hij zonder haast, gedragen door vleugels van bijna tweeënhalve meter breed. Hij glijdt moeiteloos over de branding, tot hij plotseling zijn vleugels inklapt en verandert in een levende speer. Van grote hoogte duikt hij het water in, en komt weer boven met zijn keelzak vol vis en zeewater. Die keelzak werkt als een soort zeef: het zeewater loopt eruit, de vis blijft over. Alleen wanneer hij jongen heeft, mogen de kuikens eerst even tot aan hun nek in die enorme zak verdwijnen.
Bruine pelikanen broeden meestal in kolonies. Het mannetje kiest een geschikte plek, in een boom, op een rots of op een afgelegen eilandje, en begint vervolgens aan zijn pronkvoorstelling: met zijn snavel zwaaien, zijn keelzak opblazen, met zijn vleugels wiebelen. Het vrouwtje komt langs, bekijkt het eens goed, en besluit of ze hem de moeite waard vindt. Zo niet, dan vliegt ze onverstoorbaar verder. Ze zijn monogaam voor het broedseizoen, maar kiezen daarna weer een nieuwe partner. Zodra er een paar gevormd is, bouwen ze samen het nest. Zij verzamelt meestal het materiaal, hij arrangeert het, vaak rommelig, maar stevig genoeg.
Na de paring legt het vrouwtje één tot drie eieren. Beide ouders broeden en verzorgen de jongen. Na 28–30 dagen komen de kuikens uit het ei: kaal, blind en lelijk. Maar al snel krijgen ze een wollig donspakje en worden ze een stuk aandoenlijker. Ze worden door beide ouders gevoerd, en dat gaat weinig subtiel: het jong steekt zijn kop diep in de keelzak van vader of moeder om half verteerde vis op te slurpen.
Na ongeveer vijf weken schuifelen de jongen nieuwsgierig richting de rand van het nest. Ze oefenen hun vleugels, klapperen wild en maken kleine sprongetjes. Rond zes à zeven weken vormen jonge pelikanen vaak een soort crèche: een groep puberpeli’s die samen rondhangen terwijl de ouders op visjacht gaan. Tussen de negen en twaalf weken vliegen ze uit. Daarna begint het echte leerwerk: vissen blijkt een vak apart. Ze proberen, missen, stijgen weer op, proberen opnieuw… tot ze de techniek beheersen. Pelikanen kunnen wel twintig jaar oud worden.
Een bijzonder weetje: pelikanen hebben een soort ingebouwde airbags. Onder hun huid en zelfs tussen hun botten zitten kleine luchtzakken. Tijdens het duiken worden die samengedrukt en vangen ze de klap op, vooral voor de nek en schedel. Zonder die natuurlijke kussentjes zou een duik van enkele meters hoogte veel te hard aankomen. Tegelijk helpen de zakken ook om te blijven drijven.
De bruine pelikaan is zo’n vogel die je nooit moe wordt om naar te kijken: een oeroude overlever. www.natuurabc.com